|
|
|
|
|
|
|
Een ander model, China enCuba |
|
Tuesday 23 February 2010 |
[Bron: Maandblad MO* van Mediahuis, uit een paper van Marc Vandepitte “Wat met de Cubaanse revolutie na Fidel Castro?”
Toen Raúl Castro (vanaf 2006) de plaats van zijn broer innam, voorspelden de westerse media een belangrijke koerswijziging. Raúl zou een meer marktgerichte aanpak voorstaan en het Chinese model genegen zijn. Uiteraard legt elke politieke leider zijn eigen accenten, maar dat is een relatief gegeven. Op Cuba en meestal ook in andere landen hebben belangrijke koerswijzigingen vooral te maken met een gewijzigde context of nieuwe uitdagingen en niet zozeer met een ander leiderschap. De vergelijking met China is echter interessant en verhelderend. Er zijn belangrijke gelijkenissen tussen de ontwikkelingsstrategieën van beide landen. Zo wordt de economie zowel in China als in Cuba in grote mate aangestuurd door de politieke overheid: de sleutelsectoren zijn in handen van de staat, de regering controleert en stuurt de centrale bank en het monetaire beleid, de hoofdoriëntaties van de economie – hoeveel er in welke sectoren wordt geïnvesteerd – worden in een meerjarenplan vastgelegd. De communistische partij speelt in beide landen een belangrijke rol in de lokale ontwikkeling. In de twee landen gaan relatief veel middelen naar onderwijs eninfrastructuur. Ten slotte knopen China en Cuba ook sterke banden aan met andere landen uit het Zuiden om elkaars ontwikkeling te versterken. Maar er zijn minstens ook zes wezenlijke verschilpunten die we in rekening moeten brengen om de respectieve koers van China en Cuba te begrijpen. Om te beginnen was de startsituatie voor beide landen heel anders. Toen Deng Xiaoping eind 1970 met zijn hervormingen begon, was de economische achterstand van China bijzonder groot. Honderd jaar bezetting en burgeroorlogen hadden het land compleet verwoest. Tijdens de periode van Mao (1949- 1976) was de economische groei al heel wat beter dan in vergelijkbare derdewereldlanden, maar toch was het land nog altijd een van de allerarmste regio’s van de wereld. Het BNP per inwoner lag een heel stuk onder het gemiddelde van de rest van Azië en zelfs bijna tweemaal lager dan dat van Afrika. Aartsvijanden Japan, Taiwan en Zuid-Korea kenden op dat moment zeer hoge groeicijfers. In die context lanceerde Deng de leuze dat socialisme geen armoede is en dat rijk worden glorieus is. Het gelijkheidsbeginsel werd (tijdelijk) opgeofferd aan de versnelde ontwikkeling van de productiekrachten, te beginnen in de kustprovincies. In Cuba lag dat anders: qua economische ontwikkeling zat het land in 1959 boven het gemiddelde van Latijns-Amerika. In die context kreeg de sociale en culturele ontwikkeling de volle prioriteit.Een tweede verschilpunt ligt in de lessen die beide revoluties trokken uit hun eigen recente verleden. De eerste dertig jaar van de Chinese revolutie verliepen zeer tumultueus. De grote Sprong Voorwaarts (1958-1960) en de Culturele Revolutie (1966-1976) waren traumatische ervaringen. De hervormingen vanaf 1978 waren een wellicht overdreven reactie op die turbulente gebeurtenissen. De eerste generatie revolutionairen wou het communisme heel snel invoeren en de historische fase van het kapitalisme overslaan. Dat bleek dus niet haalbaar, omdat de situatie daar economisch en technologisch nog niet rijp voor was. Het is precies de historische rol van het kapitalisme om die rijpheid te brengen. Daarom werden vanaf het einde van de jaren 1970 (tijdelijk) kapitalistische elementen geïntegreerd, met het gevolg dat belangrijke socialistische beginselen werden prijsgegeven zoals de collectieve eigendom van de productiemiddelen, de niet-privé tewerkstelling van arbeidskrachten (de basis voor uitbuiting), alsook gratis gezondheidszorg en onderwijs. In de woorden van Deng: “Het maakt niet uit of de kat wit of zwart is, als ze maar muizen vangt”. In Cuba was er in zekere zin een omgekeerde evolutie. Tijdens de jaren 1970 en aan het begin van de jaren 1980 werden onder invloed van de Sovjet-Unie kapitalistische elementen ingevoerd. Dat leidde tot een stagnatie halverwege de jaren 1980. De Rectificatiecampagne vanaf 1986, die lijnrecht inging tegen de perestrojka van Gorbatjsov, maakte brak met die kapitalistische elementen. Het resultaat was dat de Cubaanse revolutie overeind bleef toen alle landen van het Oostblok een voor een in elkaar stortten. De les was dus duidelijk: het vasthouden aan de socialistische beginselen was een voorwaarde voor het behoud van de revolutie. Dat is wellicht de belangrijkste reden waarom Raúl Castro of zijn opvolger(s) niet meteen de Chinese weg zullen bewandelen. In de woorden van Raúl: “Ik ben niet verkozen tot president om het kapitalisme in Cuba opnieuw in te voeren noch om het socialisme prijs te geven. Ik werd verkozen om het socialisme te verdedigen, te behouden en te blijven perfectioneren, niet om het te vernietigen.”Een derde verschilpunt is de schaal. In de krachtsverhoudingen met multinationale ndernemingen vormt die een groot voordeel voor China en een sterk nadeel voor Cuba. Met een potentiële afzetmarkt van bijna een kwart van de wereldbevolking is China een zeer begeerde plek voor buitenlandse investeringen. Met zijn 0,2 procent van de wereldbevolking kan Cuba die troef niet uitspelen. Bovendien zijn de grote Chinese bedrijven in tegenstelling tot hun Cubaanse collega’s groot genoeg om de concurrentie met multinationals aan te kunnen. Het voorbeeld van Bacardí is hier sprekend. De oorspronkelijke eigenaars van deze rumgigant waren gekant tegen de revolutie en trokken kort na 1959 met hun kapitaal naar het buitenland om daar te produceren. Zij zijn vandaag de rechtstreekse concurrent van de Cubaanse Havana Club, een belangrijk export-product voor het eiland. De omzet van Bacardí bedraagt ongeveer zoveel als detotale export van Cuba!Een vierde verschilpunt versterkt het schaalnadeel van Cuba: de economische blokkade. Washington en de CIA doen er alles aan om te verhinderen dat derde landen handel drijven met Cuba, er investeren of het land kredieten verlenen. Ook dat verzwakt de onderhandelingspositie ten aanzien van buitenlandse bedrijven en banken. Als grootste kredietverstrekker van de VS heeft China daarentegen een vrij sterke machtspositie tegenover Washington.Een vijfde verschilpunt betreft de diaspora. Een aanzienlijk deel van de buitenlandse investeringen in China vanaf de jaren 1990 was afkomstig van overzees Chinees kapitaal, vooral uit Azië. De Chinese diaspora is versnipperd en eerder patriottisch ingesteld. De kapitaalkrachtige overzeese Cubanen vormen een heel ander verhaal. Die zijn politiek georganiseerd, vormen een machtige lobby binnen de VS en zijn er, met steun van Washington, op uit om de revolutie ongedaan te maken. De blokkadewet Helms-Burton van 1996 is bijvoorbeeld geschreven door een medewerker van Bacardí.Een zesde punt van verschil is de geo-economische context. Die is voor Cuba allesbehalve gunstig geweest. Op een termijn van dertig jaar is het kleine eiland tot tweemaal toe zijn belangrijkste handelspartners kwijtgespeeld en heeft het zijn economie compleet moeten heroriënteren, met alle rampzalige gevolgen van dien. Uit de regio zelf kon Cuba niet veel voordeel halen, het kon niet profiteren van een regionaal elan. De economische ontwikkeling van het Latijns-Amerikaanse continent was om te beginnen al niet denderend en bovendien waren de relaties met de landen uit de regio allerminst bevorderlijk. Op economisch vlak zwaaiden VS-bedrijven er de scepter en op politiek en diplomatiek vlak stonden die landen onder druk van Washington. De laatste tien jaar zijn de economische en diplomatieke relaties met de landen van Latijns- Amerika sterk verbeterd, maar er is geen garantie dat de situatie zo zal blijven. Dehuidige VS regering wil het terreinverlies onder de twee regeringen van Bush ongedaan maken. Er bestaat ook geen zekerheid dat de linkse golf in Latijns Amerika zal aanhouden. De economische omgeving van China was en is veel gunstiger. De regio werd vanaf de jaren 1950 gekenmerkt door een gunstig accumulatieregime: hoogtechnologische kernbedrijven in Japan, die organisch verbonden waren met onderaannemingen in landen van de regio, die zelf over een overschot aan zeer goedkope arbeid beschikten. Een groot deel van die productie was bestemd voor deexport naar de VS en West Europa. Door dit gunstig accumulatieregime kende Oost- en Zuidoost-Azië vanaf de jaren 1950 een vrij hoge groei. China heeft daar vanaf de jaren 1980 volop van geprofiteerd. Washington heeft zijn stempel ook minder kunnen drukken op deze regio dan op Latijns-Amerika, dat het als zijn achtertuin beschouwt. En ten slotte heeft China door zijn proportie ook een vrij sterke (en steeds sterker wordende) positie in de regio tegenover de andere landen. Met het aangeven van de essentiële verschilpunten tussen China en Cuba doen wegeen uitspraak of de gevolgde weg in China al dan niet de goede zou zijn – dat is eenandere discussie. Wel proberen we duidelijk te maken dat de gevolgde trajecten in beidelanden sterk bepaald worden door historische omstandigheden en keuzes. Bovendien iswat goed is voor het ene land, daarom niet noodzakelijk goed of wenselijk voor hetandere. Een van de belangrijkste lessen uit de geschiedenis is precies dat het mechanisch overplanten van een koers uit een ander land niet werkt. We kunnen wel lessen trekken uit fouten en sterke punten van andere landen, maar elk land moet uiteindelijk zijn eigen traject uitwerken in overeenstemming met de eigen historische voorwaarden, zowel op binnen- als buitenlands vlak.Gezien de belangrijke uitdagingen waar Cuba voor staat, valt een hele reeks hervormingen te verwachten. Maar dat betekent geenszins dat het land van model of koers gaat wisselen of dat het plannen in die zin zou hebben. Om het met de woorden van Raúl te zeggen, er zal wel gezocht worden naar “het economisch model dat gunstig is voor het land en dat de onomkeerbaarheid zal verzekeren van het sociaal-politieke bestel”. |
|
Laatst bijgewerkt op ( Tuesday 07 September 2010 )
|
|
|
|
|
© 2012 Cubadefend | informatie over socialistisch Cuba
Joomla! is Free Software released under the GNU/GPL License. |